Kennis

RTTI: meer zicht op wat leerlingen écht kunnen

Een goede toets doet recht aan de lesstof én de leerling. Kent de leerling de belangrijkste begrippen en feiten? Kan hij een geoefende werkwijze herkennen en toepassen? Lukt dat ook in een nieuwe situatie? En kan hij verschillende gegevens combineren om tot de beste oplossing te komen?
In de nieuw ontwikkelde modules van D&P en Z&W nieuwe toetsvragen toegevoegd volgend de RTTI-methode. Wat is daar het voordeel van?


Wat is RTTI?

RTTI is een manier om te kijken naar wat je van een leerling vraagt. Het gaat niet alleen om ‘weet je het antwoord?’, maar om de manier waarop de leerling bij dat antwoord moet komen. 

De RTTI-methodiek helpt om daar bewust naar te kijken. RTTI onderscheidt vier cognitieve niveaus: Reproductie (R), Training of Toepassing 1 (T1), Transfer of Toepassing 2 (T2) en Inzicht (I).

Ook bij een toets die alleen uit meerkeuzevragen bestaat, kunnen deze vier niveaus goed worden getoetst. Het RTTI-niveau wordt namelijk niet bepaald door de vraagvorm, maar door wat een leerling moet denken en doen om tot het juiste antwoord te komen.

De vier niveaus van RTTI

R – Reproductie
Bij R-vragen haalt de leerling kennis op die tijdens de lessen is aangeboden. Denk aan begrippen, feiten, regels en stappenplannen. R-vragen zijn vooral geschikt wanneer je wilt controleren of leerlingen de basiskennis beheersen.
Voorbeeld: Wat betekent mise-en-place?
A. Het schoonmaken van de keuken
B. Het vooraf klaarzetten van alles wat je nodig hebt
C. Het presenteren van een gerecht
D. Het bewaren van ingrediënten

T1 – Training
Bij T1 gebruikt de leerling kennis in een bekende en geoefende situatie. Met T1-vragen toets je vooral of een leerling een aangeleerde aanpak of regel kan toepassen zoals hij die heeft geoefend.
Voorbeeld: Je wilt buiten een poster ophangen. Het gaat waarschijnlijk regenen. Welk materiaal kun je het beste gebruiken?
A. Dun papier
B. Onbeschermd karton
C. Watervast kunststof
D. Vloeipapier

T2 – Transfer
Bij T2 moet de leerling geleerde kennis toepassen in een nieuwe situatie. De leerling moet hier zelf bepalen welke eerder geleerde kennis relevant is.
Voorbeeld: Een zorgcentrum organiseert een activiteit voor ouderen die slecht ter been zijn. Welke activiteit past het beste bij deze doelgroep?
A. Een wandeltocht
B. Een zittende muziekquiz
C. Een sportwedstrijd
D. Een hindernisbaan

I – Inzicht
Bij I-vragen combineert en analyseert de leerling informatie of beoordeelt hij verschillende mogelijkheden. De leerling moet hier de oorzaak van een probleem begrijpen en daar de beste oplossing aan koppelen.
Voorbeeld: Bij een foodtruck ontstaat steeds een lange wachtrij. Eén medewerker neemt de bestelling op, maakt deze helemaal klaar en begint daarna pas aan de volgende bestelling. Welke verandering zal de wachttijd waarschijnlijk het meest verkorten?
A. Meer gerechten aanbieden
B. De prijzen verlagen
C. De werkzaamheden verdelen
D. Grotere porties maken

“Het RTTI-niveau wordt niet bepaald door de vraagvorm, maar door wat een leerling moet denken en doen om tot het juiste antwoord te komen.”


Zelf bepalen waar het accent ligt

Een groot voordeel van RTTI is dat je als docent bewuster kunt bepalen wat je wilt toetsen. Wil je vooral controleren of leerlingen voldoende feitenkennis en begrippen kennen? Dan kun je relatief veel R-vragen opnemen.
Wil je weten of leerlingen procedures en vaardigheden uit de lessen ook kunnen toepassen in bekende situaties? Dan leg je meer nadruk op T1.
Vind je het belangrijk dat leerlingen hun kennis kunnen gebruiken in andere of nieuwe beroepssituaties? Dan zijn T2-vragen belangrijk.
Wil je vooral zien of leerlingen kunnen redeneren, analyseren en de beste oplossing kunnen kiezen? Dan kun je meer I-vragen opnemen.
Er bestaat dus geen vaste ideale verdeling. De verhouding tussen R, T1, T2 en I moet passen bij de leerdoelen, de inhoud van de module en het niveau van de leerlingen. Een toets over basiskennis kan bijvoorbeeld meer R-vragen bevatten, terwijl een afsluitende toets van een praktische module juist meer nadruk kan leggen op T1 en T2.


“RTTI helpt je als docent om bewust te bepalen wat je wilt toetsen: feitenkennis, toepassing, transfer of inzicht.”


Praktische meerwaarde voor docenten

Denk vooraf goed na over waar je het accent wilt leggen in de toets. Zo voorkom je dat een toets ongemerkt vooral feitenkennis meet, terwijl je eigenlijk wilt weten of leerlingen kennis kunnen toepassen.
RTTI helpt daarmee niet alleen bij het kiezen van afzonderlijke toetsvragen, maar vooral bij het samenstellen van een toets die past bij wat je leerlingen hebt geleerd.
Bij meerkeuzevragen is daarbij de kwaliteit van de antwoordmogelijkheden belangrijk. Goede foutieve antwoorden zijn geloofwaardig en sluiten bijvoorbeeld aan bij een veelgemaakte fout of verkeerde denkstap. Voor praktische vmbo-vakken werkt dit goed. Door vragen te koppelen aan herkenbare situaties uit bijvoorbeeld een foodtruck, evenement, zorginstelling of activiteit, kun je ook met meerkeuzevragen veel meer toetsen dan alleen: weet de leerling het? Je krijgt ook zicht op de vraag: kan de leerling ermee werken?


In het Dubbelklik toetssysteem zijn bij de nieuwe modules voor D&P (Expeditie Onbekend, Foodtruck Masters, Fantastisch Festival en Funpark Avonturenwereld) en Z&W (Mens en gezondheid, Mens en omgeving, Mens en activiteit en Mens en zorg) voorzien voor RTTI-toetsvragen.
Bij het samenstellen van een toets uit de toetsenbank kun je eenvoudig rekening houden met de RTTI-methodiek. Bij het kiezen van de vragen kun je zien bij welk RTTI-niveau deze vraag hoort. Zo kun je dus precies datgene meten wat je wilt meten.





Verder lezen

Aanvraag werkbladen

Vul het formulier in en ontvang na validatie toegang tot de premium werkbladen van Dubbelklik